Een bijdrage tot de kennis van 'oud-Zutphensche geslachten'
In het archief van het Predikheerenklooster te Zutphen, dat zich bevindt in het gemeente-archief aldaar, is een stuk d.d. 1390, dat behalve om zijn verderen inhoud belangrijk is, doordat er ca. 200 Zutphensche families met name in genoemd worden. Ik acht dit stuk dus een belangrijke bron voor de kennis van oud-Zutphensche familiegeschiedenis.
Het stuk is gedateerd 27 Augustus 1390 en is een bevel van Johannes Wilde, proost van St. Maarten in Emmerik als gesubdelegeerde van Everardus Foec, deken van St. Salvator in Utrecht, aan alle pastoors en verdere geestelijken, om de in het stuk genoemde families aan te manen, om binnen een bepaalden termijn allen omgang met Henricus, prior, Henricus Modinc, Jacobus Modinc, Everardus Tyeghelaer, Christianus de Campis, Hermannus de Bremis, Johannes de Brummen, Johannes de Twencia, Wilhelmus de Alcmaria, Johannes Polle, Cesarius Dijcmans, Henricus de Huxaria en Fredericus, terminarius in Kampen, broeders in het Predikheeren-klooster, te staken. Dezen storen zich n.l. in het geheel niet aan het feit, dat zij reeds lang ten verzoeke van deken en kapittel van St. Walburg geëxcommuniceerd zijn wegens hun ongehoorzaamheid aan zekere sententie van Everardus Foec inzake een decretale van paus Bonifacius VIII, evenmin als aan het hun opgelegde interdict.
De zaak, waarom het hier gaat, wordt nader belicht door een stuk van 26 Februari 1390 uit hetzelfde archief, waarin Johannes de Riebeke, procurator van het Predikheerenconvent, ten huize van den deken van St. Salvator in Utrecht protesteert tegen diens uitspraak, dat een vierde deel van de aan het convent gedane giften aan deken en kapittel van St. Walburg gegeven moeten worden.
Daar ik noch in het Predikheerenarchief, noch in de archieven van kapittel of stad iets naders over deze kwestie heb kunnen vinden, tasten wij omtrent den afloop der zaak in het duister. Het is ons hier echter ook niet dáárom in de eerste plaats te doen, maar om de voor de genealogie belangrijke opsomming van de 260 Zutphensche families, die in die dagen wat te beteekenen hadden.
Opvallend is het, hoe 'n groot aantal dezer namen al geheel het karakter van "moderne” familienamen hebben, al zijn er natuurlijk, enkele duidelijke patronimica, namen, ontleend aan plaatsnamen, namen, die een beroep aanduiden en bijnamen. Een enkele maal wordt iemand aangeduid met dictus .. . (gezegd...), waaruit men kan concludeeren; dat de naam, die er achter komt, nog niet geheel vast is. In bovengaande woorden heb ik in het kort de expositie, der kwestie, die in het stuk zelf tamelijk uitvoerig is, weergegeven.
Ik laat nu onverkort de namen volgen:
"... Henricum Gerwerdinc et eius uxorem, ....[en diens echtgenote]"
uit: De Nederlandse Leeuw jg 53 (Jan. 1935) No.1, blz. 11 e.v.
Updated: 20 Juli 2001