Omtrent Majoor G.F.B. Watrin, wiens overlijden wij
in het Avondblad van gisteren hebben vermeld, moet
er hier nog aan herinnerd worden dat met hem een
militair van schitterende wapenfeiten en met
buitengewone militaire talenten is heengegaaan.
Nog kort geleden, bij zijn terugkeer uit Nederlandsch-Indië,
hebben wij uitvoerig gewag gemaakt van de verdiensten
van dezen veteraan, een der laatsten van de garde van Van Heutsz.
Geboren 8 November 1859 in Padang, nam hij in 1887
dienst bij het Instructiebataljon en werd 29 September 1896
benoemd tot tweede luitennt der infanterie K.N.I.L.
27 Maart 1897 geplaatst bij het Ie depot bataljon, werd hij in 1896
overgeplaatst bij het garnizoensbataljon van Sumatras Oostkust.
27 Mei 1899 werd hij eerste luitenant en 30 November 1900
overgeplaatst bij het 14e bataljon. Hij kwam toen in Atjeh, waar hij
alle krijgbedrijven zou medemaken en dat hij in 18 jaar niet
anders zou verlaten dan om na 13 jaar onafgebroken dienst,
waarvan 9 doorlopend te velde, jaren welke gerust dubbel
gerekend kunnen worden, met verlof naar Europa te gaan.
Hij zou die 16 jaren later den mooisten tijd van zijn leven roemen.
Watrins heele optreden was al dadelijk in 1901 van dien aard, dat
hij twee eervolle vermeldingen achter elkaar verwierf: een op 26
Februari 1902 als hebbende zich onderscheidenbij de krijgsverrichtingen
in Atjeh gedurende het eerste halfjaar 1901 en een op 31 juli 1902
als hebbende zichonderscheiden in het tweede semester en meer in het
bizonder in Pidië gedurende de maanden Mei en Juni 1901. En zijn
eerste verwonding voor den vijand deed hij op 13 Februari 1902, toen hij
op patrouille naar Garot (Pidië) een klewanghouw over den linkerschouder bekwam.
Geen wonder, dat een dergelijk officier 26 Augustus 1902 werd
overgeplaatst bij het keurkorps, de maréchaussée te voet in Atjeh en Onderhoorigheden.
Watrin voelde zich bij de maréchausée uitstekend op zijn plaats.
In 1903 was hij als patrouillecommandant in Pidië, waar hij 23 volgelingen van den
oelama nerlegde in de Keulamastreek. En in 1904 nam hij onder luit.-kolonel
G.C.E. van DAalen deel aan den beroemden 163-daagschen tocht, waarbij door onbekend
vijandelijk terrein meer dan 500 km werden afgelegd, naar de Gajo- en Alaslanden.
Hij werd er niet minder dan driemaal bij gewond.
Het was dan ook geen wonder, dat als belooning voor zijn optreden luitenant Watrin
bij Kon. besluit van 10 April 1905 de eeresabel werd verleend, als hebbende zich
onderscheiden gedurenden den tocht naar de Gajo- en Alaslanden van Februari tot Juli 1904.
Luitenant Watrin was toen al ruim een jaar ridder in de Militaire Willemsorde 4e kl.
Sinds 1905 heeft Watrin als civiel-bestuurder in Singkei blijken van moed en doorzicht gegeven.
In 1908 werd hij belast met het bestuur der onderafdeeling Poeloe Raja met titel van
civiel-gezaghebber.
30 December 1908 werd hij buitengewoon beorderd tot kapitein.
Hij keerde terug bij de maréchaussée te voet van Atjeh, op 1 Februari 1909 en zag zich vier
dagen later eervol ontheven van het bestuur der Poelo Raja en.. belast met dat over Bireuen (Noordkust van Atjeh).
Hij werd 8 Jan. 1910 onder dankbetuiging voor de vele en gewichtige diensten, welke hij had
bewezen, eervol van het bestuur over Bireuen ontheven en vertrok 6 December naar Patria.
20 April 1915 werd hij tijdelijk belast met de functie van adjunct-inspecteur van den arbeid en hierop
volgde 10 Januari 1917 zijn eervol ontslag uit het leger op verzoek.
5 juli 1920 werd Watrin benoemd tot reserve-kapitein, de band met het leger werd dus niet verbroken en op Koningins verjaardag
1924 werd hij bevorderd tot majoor-titulair.
Uit Malang, waar hij tot voor enige maanden woonde, is de oude strijder naar hier gekomen in de hoop heul te vinden voor de oude wonden,
die hem, na lange jaren weer moeilijkheden bezorgden.
Blijkbaar mocht hem geen medische hulp meer baten en zoo is hij thans tot de vele strijdmakkers, die hem voorgingen, vergaderd.