Koelie-behandeling bij de Singkep-Tin-mij.

De locomotief : Samarangsch handels- en advertentie-blad 07-12-1900

Wij meldden reeds dat het Bat. N.bld. een schrijven van den Heer Veenhuyzen, ex-administrateur van bovengenoemde mij., heeft opgenomen dal eenig licht werpt op de behandeling van de in de Singkep-tin-mijnen werkzame koelies. Ziehier wat de Heer V. schrijft.

"Den 15en Februari 1899 kwam ik in dienst bij de Singkep Tin-maatschappij. Hoofdadministrateur was de Heer G. De Groot Van Embden en ik constateerde toen op de onderneming dat de geheele boel een knoeiwinkel was; dat de Chineesche koelies door de maatschappij onmenschelijk werden geëxploiteerd en door hun hoofden letterlijk werden uitgezogen.

De directeur der Singkep Tin-maatschappij, Jhr. J. P. J. Van Der Does De Bye, was toen in Indië en ik heb ZEd. op allerlei ongerechtigheden attent gemaakt, iets wat ik mijn plicht achtte.

De geheele onderneming was bij mijn komst feitelijk in handen van den beruchten mijnschrijver Bong-Cei-Djoe en van den Heer C De Groot Van Embden vd., die Singkep als hun eigendom beschouwden en het op Chineesche wijze regeerden. Overtredingen als anderszins werden door hen en hun satellieten kortweg met de rotan berecht, zware geldboeten werden door hen geheven en verdwenen in hun zakken, enz. enz. en het Nederlandsch-Indisch bestuur werd gewoon weg van alles onkundig gelaten,

Het is zeer begrijpelijk dat de zoo gruwelijk misleide mijnwerkers erg ontevreden en mitsdien herhaaldelijk zeer wederspannig waren, zóó zelfs, dat tijdens mijn beheer vier malen de hulp van den assistent-resident te Tandjong Boeton, Lingga, met zijn politie-oppassers moest worden ingeroepen *), om de orde te helpen handhaven en tijdens het sluiten van de boeken [ult. Juni] werd zelfs een temporaire bescherming door den directeur De Bye vd. noodig geoordeeld en aangevraagd, dewelke door het Nederlandsch-Indisch bestuur ook werd verleend, bestaande uit twintig gewapende politie-soldaten onder een onder-adjudant en deze macht bleef ongeveer twee maanden op Singkep.

Nadat successievelijk de bovenbedoelde beruchte mijnschrijver Bong-Cel-Djoe (31 Maart 1899) de hoofdadministrateur C. De Groot Van Embden (1 Mei 1899) en de mijnhoofden Thoeng-A-Fat en Hong-Nam-Tjie (30 Januari 1899) waren ontslagen, de voeding der mijnwerkers onder mijn directe controle was gebracht en de dagtaak definitief was vastgesteld op een grondverzet van drie kubieke meters per dag en per man, terwijl de koelis voor het meerdere grondverzet (ka-koeng) contante betaling kregen en ook dit streng door ons werd gecontroleerd, keerde langzamerhand het vertrouwen in ons terug.

De directeur, Jhr. J. P. J. Van Der Does De Bye, was echter van gevoelen dat een grondverzet van drie kubieke meters per dagtaak veel te licht was, beweerde steeds dat de lieden vroeger zeven kubieke meters en meer grondverzet als dagtaak kregen en drong herhaaldelijk bij mij op vergrooting der dagtaak aan, waarin ik echter nimmer verandering heb willen maken.

De door ons te Singapore geëngageerde koeli's moeten volgens contract acht uren dienst per dag presteeren, doch dit werd hen door de mijnhoofden te Singkep steeds systematisch onmogelijk gemaakt en ofschoon ik aan dat euvel geen einde heb kunnen maken, steeds bleef ik onvermoeid tegen exploitatie van den koeli waken en was mijn streven om de koelies mede te doen deelen in de eventueel door de mijn te maken winsten, die tot nu toe uitsluitend in den zak van het mijnhoofd vloeiden.

Een onverschoonbaar feit was het ook dat de Singkep Tin-maatschappij de te Singapore voor slechts één jaar geëngageerde koelies vóór mijn komst steeds bij het bestuur in Nederlandsch-Indië liet herregistreeren voor den tijd van drie (zegge drie jaar) zonder de lieden zelf daarin te kennen of te hooren en de staten — ter misleiding van het Nederlandsch-Indisch bestuur — van valsche handteekeningen te voorzien.

Tijdens mijn beheer echter — ik trad met 1 Mei 1899 als hoofdadministrateur op — heb ik steeds getracht om de in Nederlandsch-Indië vigeerende koelie-ordonnantie zoo stipt mogelijk op te volgen en respecteerde ik ook steeds de te Singapore gesloten koelie-contracten.

Deze contracten werden alle volgens voorschrift, bij het Nederlandsch-Indisch bestuur geregistreerd, doch nu slechts voor den tijd van één jaar, conform de te Singapore aangegane overeenkomst. Dat ik zoo zou handelen, heb ik van te voren den directeur De Bye vd. medegedeeld, doch ZEd. drong er bij herhaling bij mij op aan, contracten voor niet minder dan drie jaar te sluiten.

In October a. p. had ik ter zake een gesprek met den heer "protector of Chinese" te Singapore, doch later bleken de koelies geen contract voor drie jaren te willen sluiten en daarmede was de zaak dus afgedaan.

Dit nu, mijnheer, de dagtaken niet te willen vergrooten en koelie-contracten voor slechts één jaar te sluiten, heeft den directeur De Bye doen besluiten om mij ongeschikt voor mijn betrekking te verklaren en mij plotseling met 1 Mei jl. uit den dienst der Singkep Tin-maatschappij te ontslaan.

De bovengenoemde redenen echter durft de directeur niet openlijk als oorzaak van mijn ontslag noemen en ZEd. zoekt nu nog steeds naar andere motieven.

Den directeur De Bye schreef ik o. m. in mijn laatste vertrouwelijk schrijven. "Wel moet ik mij thans afvragen of op Singkep altijd óf geknoeid óf geïntrigeerd moet worden ?" Ik schaam mij niet in mijn eerlijken strijd voor het recht der arme, Chineesche koelies te zijn gevallen, of, beter gezegd, op straat te zijn gezet, doch hier zij thans de vraag gesteld, "mag de Singkep Tin-maatschappij nu op nieuw beginnen de arme ongelukkigen te exploiteeren?"

"Zal de Regeering van de Straits toestaan dat de door haar op de Chineesche immigranten uitgeoefende menschlievende controle wederom door de Singkep Tin-maatschappij op ergelijke wijze te niet zal worden gedaan ?" De mijnhoofden op Singkep kraaien nu weder victorie, maar de arme koelies voelen ¦lü zij weder aan hun eigen lot zijn overgelaten en ik weet dat zij algemeen mijn heengaan betreuren, doch ik kan hen verder niet meer beschermen en daarom richt ik deze waarschuwing tot U."

*) In November—December 1890 heeft de resident van Riouw de Chineesche tolk Ezerman naar Singkep gezonden, om een minutieus onderzoek in te stellen naar de oorzaken van de aldaar plaats gehad hebbende wederspannigheden, en bedoelde ambtenaar heeft in zijn rapport onder meer medegedeeld (missive no. 31 geheim, dd. 28 Februari 1900), dat na de verwijdering van den beruchten mijnschrijver Bong-Kee-Djoe, deze persoon een twaalftal zijner sujetten over de verschillende mijnen zou hebben gezonden om de reeds zoo ontevreden lieden tot dienstweigering als anderszins over te halen, met het oogmerk om mij te bemoeilijken. De mijnwerkers kenden mij toen nog niet persoonlijk, (w .g.) A.J.V.

Bataviaasch nieuwsblad 29-03-1901

(Vervolg van het Eerste Blad.)

SINKEP TINMAATSCHAPPIJ. Volgens de Javabode zou de reis van den officier van justitie en den rechter commissaris van strafzaken ten doel hebben een onderzoek op het eiland Singkep.
Men zal zich herinneren dat eenigen tijd geleden door een ontslagen administrateur van de Singkep Tinmaatschappij in het Batav. Nieuwsblad een zeer bezwarende aanklacht is openbaar gemaakt tegen het hoofdbestuur dier naamlooze vennootschap, dat hem zou hebben willen dwingen onrechtmatige handelingen te plegen tegenover de daar werkzame koelies.
Onze lezers herinneren sich ongetwijfeld wat wij den 4en December schreven tot nadere verduidelijking der klacht van den heer A. J. Veenhuyzen, in September ds vorigen jaars bij den officier van Justitie ingediend en in ons blad opgenomen, terwijl ons verder nog was medegedeeld dat honderden chineesche koelies op Singkep werden ingeschreven voor een nieuw verband zonder dat men de menschen er in kende, zoodat zij feitelijk op onwettige wijze werden aangehouden om der Singkep Tinmaatschappij de noodige werkkrachten te verzekeren.

De locomotief : Samarangsch handels- en advertentie-blad 28-10-1901

Singkep Tinmaatschappij.

Den 4en December van het vorige jaar werd in het Bat. Nbl. op gezag van de Heer A. J. Veenhuyzen, gewezen hoofdadministrateur der Singkep Tinmaatschappij medegedeeld het een en ander omtren de exploitatie van koelies bij die onderneming tegen de bepalingen der koelie-ordonnantie in, terwijl hij zich beschikbaar stelde zijn aanklacht voor den officier van Justitie schriftelijk of, desgewenscht, mondeling toe te lichten.

In Maart daarop vertrok de officier van Justitie met den rechter-commissaris voor strafzaken bij den Raad te Batavia naar Singkep tot een persoonlijk onderzoek. En thans, zo verneemt het Bat. Nbl., is door den Raad rechtsingang met bevel van dagvaarding in persoon verleend tegen:
I. C. De G. v. E., vroeger hoofdadministrateur van de Singkep Tinmaatschappij, wonende te Tandjoeng Pinang, residentie Riouw en Onderhoorigheden;
II. Bong Kie Tjioe, vroeger mijnschrijver bij genoemde maatschappij, gewoond hebbende te Singkep, thans woon- of verblijfplaats onbekend.

Algemeen Handelsblad 22-11-1901 Onze Oost. Valsche contracten.

Onze lezers herinneren zich nog wel, zegt het "B.N." hetgeen den 4en December van het vorig jaar in dit blad op gezag van den heer A. J. Veenhuyzen, gewezen hoofd-administrateur der Singkep Tinmaatschappij, werd medegedeeld omtrent de exploitatie van koelies bij die onderneming tegen de bepalingen der koelie-ordonnantie in, terwijl hij zich beschikbaar stelde zijn aanklacht voor den officier van justitie schriftelijk of, desgewenscht, mondeling toe te lichten.

In Maart daarop vertrok de officier van justitie met den rechter-commissaris voor strafzaken bij den raad te Batavia naar Singkep tot een persoonlijk onderzoek. En thans, zoo vernemen wij, is door den raad rechtsingang met bevel van dagvaardiging in persoon verleend, tegen :

I. C. de G. v. E., vroeger hoofdadministrateur van de Singkep Tinmaatschappij, wonende te Tandjoeng Pinang, residentie Riouw en Onderhoorigheden;

II. Bong Kie jioe, vroeger mijnschrijver hij genoemde maatschappij, gewoond hebbende te Sinkep, thans woon- of verblijfplaats onbekend;

ter zake dat zij in gemeen overleg in den loop der maand Augustus 1898, toen eerste verdachte nog hoofdadministrateur en tweede verdachte mijnschrijver bij de Singkep Tinmaatshappij was, bij aankomst van een troep contractkoelies te Singkep, die ten overstaan van den „Protector of Chinese" te Singapore, respectief op 12 April en 18 Augustus, met gemelde maatschappij werkcontracten hadden aangegaan, waarbij overeengekomen was dat zij voor één jaar waren geëngageerd, daarna vrij zouden zijn te gaan waarheen zij wilden en bij het eindigen van den contracttijd twintig dollars zouden ontvangen, model werkcontracten, gedateerd respectief 18 en 25 Augustus 1898 hebben ingevuld of hebben doen invullen, waarin zij opzettelijk valschelijk, dat is in strijd met de waarheid en met het oogmerk om, die contracten voor echt te doen doorgaan, hebben vermeld dat bedoelde koelies nieuwe contracten voor den tijd van drie achtereenvolgende jaren met de maatschappij hadden aangegaan, terwijl die koelies feitelijk niets van die werkcontracten afwisten, zijnde die contracten hun immers niet voorgehouden, evenmin door hen onderteekend, doch in de kolom handteekeningen slechts van kruisjes voorzien, door of op last van verdachten door een der mandoers der maatschappij daarop, buiten weten van bedoelde koelies om, gezet;

II. dat de eerste verdachte bovendien de op voorschreven wijze valschelijk ingevulde werkcontracten, terwijl hij met de valschheid daarvan volkomen bekend was, ter registratie aan het betrokken hoofd van plaatselijk bestuur, zijnde de assistent-resident van de afdeeling Lingga, wonende te Tandjong Boeten heeft gezonden, welk bestuurshoofd bedoelde contracten zonder dat de betrokken koelies daarop werden gehoord, alzoo zonder er zich van te hebben overtuigd, dat de in de contracten vermelde personen tot de overeenkomst waren toegetreden en met de voorwaarden daarvan bekend waren, heeft geregistreerd, zoodat eerste verdachte van de valsche werkcontracten desbewust gebruik heeft gemaakt.

De locomotief 04-01-1900 Advertentie
Wegens uitbreiding der onderneming kunnen bij de SINGKEP TIN-MAATSCHAPPIJ dadelijk worden geplaatst: drie opzichters ter opleiding tot administratieve betrekkingen (moeten in het bezit zijn van het diploma eindexamen H. B. S. 5 j. c ) en drie leerling opzichters, ter opleiding voor opname en grondonderzoek.
Ter verkrijging van nadere inlichtingen dienen sollicitanten zich tot den ondergeteekende te wenden.
Overlegging van deugdelijke aanbevelingsbrieven zoomede copyen van certificaten of besluiten is gewenscht.
Slechts zij die zullen kunnen aantoonen een gezond en krachtig gestel te hebben komen in aanmerking.
Singkep, December 1899.
de Hoofd Administrateur
A. J. VEENHUYZEN