Het verboden ritueel

In Batavia werd mijn broertje geboren dat naar oom Roelof werd genoemd. Van die geboorte heb ik natuurlijk geen enkele herinnering. Ik heb alles van horen vertellen: dat de bevalling niet zo vlot verliep omdat hij dwars lag. En dat bij een kind dat later altijd de meegaandheid en zachtheid zelf was! Er zullen ook deze keer de nodige selamatans zijn gehouden. Toch werd er - als ik goed genoeg naar de verhalen van mijn moeder heb geluisterd - 'minder werk van gemaakt'. Mijn moeder had het geluk dat een nicht van haar (ze hadden dezelfde grootvader), een van haar eigen leeftijd bovendien, accoucheuse was. Wij kinderen noemden haar 'tante Lot'. Ze moet toen nog jong en slank zijn geweest. Later zou ze onmetelijk worden. Ik herinner me haar alleen van later: een zware vrouw met een uitgezakt lichaam die met een heel sterk Indisch accent sprak. Het pleit voor haar als vroedvrouw dat ze bij nader en ernstig onderzoek - in verband met die dwarsligging - de hulp van een arts adviseerde.
Dat was natuurlijk de vrouwenarts dokter Van den Vrijhoef.

Mijn ouders woonden toen - mijn vader was eerst employé - in het logeerpaviljoen van de zogenaamde dépendance van het Hotel des Indes. Die dépendance was het voormalige achttiende-eeuwse landgoed Moenswijk, één van de fraaiste Bataviase landhuizen, aanvankelijk bewoond door de toenmalige eigenaar, de directeur-generaal van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, later door rijke landheren die afwisselend op het land en in de stad woonden, zoals de Motmans, de Arnolds, de Van Slootens. Nog later, na 1890, toen het huis bij het Hotel des Indes getrokken was, werd het opgesplitst en bewoond door 'vaste gasten', in onze tijd door de chirurg en vrouwenarts Van den Vrijhoef en het lid van de Raad van Indië s'Jacob.

Het rechterpaviljoen waarin wij woonden (grote Indische huizen had den altijd een of twee paviljoens, oorspronkelijk bestemd voor gasten) was een ruim paviljoen, een woonhuis op zich zelf, met vele koele kamers achter elkaar en een brede galerij langs de hele lengte. Daarachter kwamen dan nog de bijgebouwen. Aan de voorkant was de diepe tuin die tot de straat doorliep. Die was het domein van mijn moeder. Daarin zie ik haar in de vroege ochtend lopen met een schaar in de hand en de tuinjongen achter zich aan met zijn breed uitwaaierende bezem van sapoe lidi's. Langs het huis liep een weg die achterom de dépendance naar de kali Krokot voerde die in zee uitmondde. Alleen de weg scheidde ons van dokter Van den Vrijhoef. We waren dus naaste buren. Tot ons geluk.
Hij werd onze dokter en vriend. Van hem heb ik nog een voorstelling: een nogal kleine en gezette man met een rossige puntsnor, altijd in smetteloos witte kleren. Hij was het die zich belastte met de partus, maar er was commotie genoeg.
Mijn broertje moest 'met de tang worden gehaald', zoals mijn moeder het ons wel honderd keer verteld heeft met steeds weer nieuwe details. De kraamkamer zag er telkens anders uit en aan de tijdstippen was geen touw meer vast te knopen.
Bij het grote gebeuren mochten maar twee mensen aanwezig zijn: tante Lot en nènèk Tidjah. Mijn vader zou maar in de weg hebben gestaan. Hij zou elk ogenblik van kantoor opgeroepen kunnen worden. Dat gebeurde om drie uur in de hete middag. Mijn vader zag toen een klein, wit mormeltje van nog geen vijf pond. Hij schrok ervan. Heel wat anders dan bij mijn geboorte. Mijn moeder vertelde altijd dat ik toen tien pond woog, maar mijn vader maakte er negen van, 'bijna negen', zei hij. Hij hield zich altijd me er aan de feiten. Er was nog een verschil met mijn geboorte: mijn moeder kreeg ditmaal koorts, een verontrustend symptoom, maar de kundigheid van dokter Van den Vrijhoef en later de werking van de kruidenmedicijnen die door tante Lot zelf bereid werden, haar befaamde obat beranak ('oentoek bikin bersih') leidden mijn moeders gezondheidstoestand in goede banen. Ze kon rustiger tijden tegemoet zien, al was ze in het begin heel moe en lag ze veel op de divan. Voor het huishouden zorgde nènèk Tidjah wel.
Dank zij de zorgen van tante Lot, kon mijn moeder na enige tijd mijn broertje zelf voeden. Bij mij was het nooit gelukt. Daarvoor bleek ik te zwaar en te gulzig.
Allemaal natuurlijk volgens de verhalen.

Als mijn eerste herinnering, hoe vaag ook, verschijnt (hoe oud moet ik toen geweest zijn? Bijna vier jaar?), ligt mijn moeder weer op de divan met de grote roze bloemen en afhangende geplooide stroken. Ze had toen een 'behandeling' ondergaan en lag nu nog wat na te lijden. Ik zie haar liggen met loshangende haren, met een sarong die boven haar borsten dichtgeknoopt was en daarover een lange, witte kabaai.
Waaruit deze 'behandeling' bestond is mij nooit medegedeeld en ik vroeg er ook niet naar. Later heb ik een abortus vermoed. 'Twee kinderen en niet meer', heb ik mijn moeder te vaak horen zeggen. Ik weet dat ook in dit geval dokter Van den Vrijhoef met veel tact en begrip opgetreden had.

Ze lag daar omringd door bedienden. Eén van hen zat gehurkt aan het voeteneinde en masseerde of liever kneedde haar voeten en benen. Ze gebruikte een zalf waarin djahé, gemberwortel, moet zijn verwerkt, geparfumeerd met de geur van bloemen, de tjempaka, geloof ik. Een andere vrouwelijke bediende - ik weet haar naam nog: Sinah - bood haar, alweer in hurkhouding, op een groot bord het vruchtvlees van de tjempedak aan, een grote, langwerpige vrucht met een stekelige huid en een bijzonder doordringende geur. Ik zie hem nog opengesneden liggen als een lichaam dat op de operatietafel lag met ingewanden van romig vruchtvlees.
Het hele huis rook ernaar, een niet te omschrijven lucht die ik nog uit duizenden kan herkennen. Ze is voor mij verbonden gebleven aan deze ene scène die me tegenstond: mijn moeder met gesloten ogen die niet op mij lette en zich overgaf aan het door mijn vader verafschuwde ritueel van de verwende njonja besar die zich als een Solose prinses door alle vrouwelijke bedienden liet omringen. Onder regie van nènèk Tidjah.
Tijdens de afwezigheid van mijn vader! Ik voelde het als een soort verraad aan hem. Of ik me dit toen werkelijk bewust ben geweest, weet ik niet. Als klein kind wist ik alleen dat het 'niet helemaal in orde' was. Was het alleen om de geur van de tjempedak of was het om het hele tafereel van het ziek zijn en het ongebruikelijke gedoe met de bedienden die zich zelfs gehurkt voortbewogen? Ik weet het niet. In elk geval heb ik nooit tjempedak willen eten, hoezeer de smaak en de prikkelende werking algemeen geprezen werden.


zie: Sinjo Robbie; verhalen bezorgd door Geert Onno Prins en Peter van Zonneveld. KITLV 2005. ISBN 90 6718 261 3; copyright Erven R. Nieuwenhuys. blz. 61 e.v.

Tante Lot is Charlotte Antoinette DE LEAU (Omi), geboren te Sukabumi 26 juli 1877 (RANI 1879); volgde na haar scheiding een opleiding tot accoucheuse (vroedvrouw).