Koloniale oorlogen (vanaf 1800) Deel I.

Aan het einde van de 18e eeuw was het bergafwaarts gegaan met de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC), door corruptie en slecht management, maar ook vanwege een aantal oorlogen met Engeland. Vooral de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784) was er een belangrijke oorzaak van dat de VOC verder in het slop raakte, en failliet werd verklaard, de VOC werd formeel op 31 december 1799 opgeheven.
De VOC-bezittingen (en -schulden van in totaal 134 miljoen) werden overgenomen door de staat en Nederland kreeg daardoor als natie op 1 januari 1800 staatskoloniën in den Oost. In 1800 was Nederland (als Bataafse Republiek) overigens nog bezet door Frankrijk!

Het koloniale leger had twee taken: optreden tegen alle mogelijke Inheemse tegenstanders ('de interne vijand'), en het afweren van aanvallen van andere koloniale mogendheden ('de externe vijand').

Vanaf het begin van 1800 tot omstreeks 1910 zijn de koloniale troepen verwikkeld in een onophoudelijke reeks van gewapende conflicten, oorlogen en oorlogjes met Inlandse staten en vorstendommen, de "Inlandsche Vijand".
De Nederlanders spraken over hun Inheemse tegenstanders in termen als: muitelingen, opstandelingen, belhamels, djahats (rebellen), amokmakers, struikrovers, giftmengers, brandals (bandieten). De "Inlandsche Vijand" verschilde van eiland tot eiland en van streek tot streek. Alle onderlinge verschillen in bewapening en vechtwijze waren echter in Nederlandse ogen onbelangrijk. Slechts één ding telde, namelijk dat al deze tegenstanders zich tegen het 'wettig gezag' van Nederland verzetten.
Ook in de gebieden waar het Nederlandse bestuur en het leger voor het eerst doordrongen en er in feite helemaal geen 'wettig Nederlands gezag' bestond, werd Inheems verzet hiertegen aangeduid als 'opstand' tegen het gezag. Vaak praktizeerde het Inheems verzet een vorm van guerilla en hield zich niet aan de 'spelregels' van 'normale' Europese oorlogsvoering. Derhalve achtte men in de strijd tegen de 'Inlandsche Vijand' letterlijk alles geoorloofd.

Het voert te ver om in het kader van deze genealogische website alle koloniale oorlogen (hoe interessant op zich overigens) de revue te laten passeren. Eén uitzondering hierop maak ik voor de Atjeh-oorlog, omdat mijn grootvader Henricus Petrus Josephus Hupkens een groot deel van zijn militaire loopbaan aan de Atjeh-oorlog heeft deelgenomen.
De Atjeh-oorlog was de omvangrijkste koloniale oorlog, zeer gewelddadig en bloedig. Herhaaldelijk was van strategie veranderd, maar niets hielp, het was een uitzichtloze strijd. Keer op keer werd het leger verslagen en vernederd. De eerste expeditie naar Atjeh was afgelopen voor ze goed en wel begonnen was. De oorlog tegen Atjeh was formeel op 26 maart 1873 uitgeroepen, de bedoeling was geheel Atjeh aan het Nederlands gezag te onderwerpen, voordat andere koloniale mogendheden (Engeland, Italië) dat wellicht zouden gaan proberen. Immers, een Atjehese delegatie onder leiding van Panglima (krijgsheer) Tiban Mohammed was op 25 januari 1873 in Singapore in onderhandeling gegaan met de consuls van Italië en Amerika betreffende de handel op Sumatra. Tiban Mohammed was de Sjabander, de beheerder van de havenrechten van Atjeh. Deze onderhandelingen zijn de geschiedenis ingegaan onder de naam 'verraad van Singapore', en was voor Batavia een casus belli, een onmiddellijke aanleiding tot oorlog.

Atjeh, gelegen in de noordelijke punt van Sumatra, was vanouds een machtig en onafhankelijk sultanaat. De Atjehers waren bereid voor de onafhankelijkheid te sterven. Atjeh was ongeveer anderhalf keer zo groot als Nederland, redelijk welvarend, en telde toen ongeveer 600.000 inwoners.

Eerste Atjeh-oorlog 1873
Op 8 april 1873 zetten koloniale troepen, zo’n drieduizend man, daadwerkelijk voor het eerst voet aan land. Het krijgsplan van de bevelhebber, generaal Köhler, was simpel. Men zou een basis in de buurt van de monding van de Atjeh-rivier inrichten en vandaar oprukken naar de kraton (paleis) van de sultan, tevens de ‘hoofdstad’. Had men die in handen, dan was naar KNIL-opvattingen het belangrijkste werk gedaan, Atjeh zou zich vanzelf overgeven. Waar die kraton precies lag, wist het KNIL niet. Op zoek naar de kraton, stuitte het leger op 11 april 1873 op een versterking die ervoor werd aangezien. Het bleek niet de kraton te zijn, maar een missigit (moskee), die zeer fel verdedigd werd. De missigit werd in brand geschoten en ten koste van zware verliezen veroverd. Nog dezelfde dag liet Köhler de versterking weer verlaten, omdat volgens hem de troepen te vermoeid waren deze te verdedigen. De missigit werd onmiddellijk door de Atjehers herbezet. Deze terugkeer was in die tijd een voor koloniale oorlogen ongebruikelijke handelwijze, die Köhler dwong het gebouwencomplex drie dagen later, ten koste van zware verliezen, te laten heroveren. Van deze fout werd hij zelf het slachtoffer: staande in de stelling werd Köhler door een kogel getroffen en gedood. Een zeer demoraliserend moment voor de troepenmacht. Zijn vervanger, kolonel Van Daalen, blies de expeditie af. Op 25 april 1873 verliet het KNIL Atjeh, de onderwerping was mislukt, de Eerste Atjeh-oorlog was verloren.

Tweede Atjeh-oorlog 1874-1880
Na het vertrek van de Nederlanders werden door de Atjehers aan de noordelijke moeraskust nieuwe veld- en strandversterkingen (bentengs) opgeworpen, terwijl het leger in Batavia een tweede expeditie voorbereidde. De eerste Atjeh-expeditie was mislukt door overhaasting, slechte uitrusting en gebrek aan krijgsplannen. Dat zou de nieuwe opperbevelhebber, generaal Van Swieten, niet nog eens overkomen. Van Swieten was al gepensioneerd, toen hem gevraagd werd de leiding van de tweede expeditie op zich te nemen.

Een gigantische amfibische operatie kwam op 11 november 1873 op gang. Met een vloot van 22 schepen werd een strijdmacht van 8.545 militairen en 4.560 man ondersteunend personeel (onder wie ruim 3.000 dwangarbeiders, de zogenaamde kettingberen, en 243 vrouwen) naar Atjeh gebracht. De landing op de moeraskust van Noord-Atjeh vond plaats op 9 december 1873. De versterkte moskee viel op 6 januari 1874 in Nederlandse handen, nu dus voor de derde keer in tien maanden. Het uiteindelijke doel was de kraton van de sultan, een groot complex aan gebouwen dat omringd was met een vijf meter dikke ondoordringbare heg van bamboe doeri (struikgewas met stekels). Achter de heg was een aarden wal van 600 x 250 meter, een vijf meter brede gracht en een aantal randjoe-versperringen (valkuilen met voetangels). Binnen de omwalling waren borstweringen aangelegd met ingegraven zitplaatsen voor scherpschutters en voorzien van ongeveer 40 stukken geschut.

De Nederlandse aanval op de kraton werd ingeleid door een artilleriebeschieting van enkele dagen. Op 24 januari 1874 werd de aanval ingezet, waarna al snel tot de ontdekking werd gekomen dat de Atjehers de vesting 's nachts in alle stilte hadden ontruimd. De verovering van de kraton werd door de militaire leiding voorgesteld als een grote overwinning (Van Swieten gaf aan Batavia door: "de kraton is ons"), maar in de praktijk hadden de Atjehers zich niet overgegeven.

Rondom de hoofdstad Kota Radja (het huidige Banda Aceh) werd door de opvolger van Van Swieten, kolonel Pel, begonnen met de aanleg van een verdedigingslinie. In de loop van 1874 en 1875 werd een gebied van enkele kilometers voorzien van 38 bentengs, die bezet werden gehouden door ruim 2.700 militairen. Het door de Nederlanders bezette gebied was ongeveer 50 vierkante kilometer, niet meer dan 0,1% van het totale Atjehse grondgebied. Van een effectieve oorlogsvoering was echter geen sprake. Opgesloten in de bentengs, was het leger niet in staat tot het uitvoeren van een offensief. Het kon slechts reageren op de Atjehse aanvallen, en die kwamen er met honderden, bij voorkeur ‘s nachts. Het was hit-and-run, een typische guerrilla-aanpak waar ook de burgerbevolking aan meedeed, en de militairen wisten er geen antwoord op te vinden. Jarenlang fungeerde het leger daar in het noordelijkste puntje van Atjeh als een soort van Kop van Jut.

Derde Atjeh-oorlog 1884-1896
Nederland zat in het begin van de jaren 1880 met de situatie in Atjeh flink in zijn maag. Het was een oorlog die het leger ver boven zijn krachten ging en de Nederlands-Indische schatkist in recordtempo uitputte. Jaarlijks kostte de strijd zo’n 20 miljoen gulden: een derde van het totale defensiebudget en een zevende van de totale overheidsuitgaven in Indië. Bovendien monopoliseerde ‘Atjeh’ alle troepen, er bleven nauwelijks nog militairen over voor taken elders. Er moest iets gebeuren. Het was de minister van Oorlog Weitzel, die een beslissing forceerde die even verstrekkend als rampzalig was. Hij besloot tot inkrimping van de troepen in Atjeh en het afsluiten van de vesting Kota Radja door middel van een zwaar versterkte linie van posten: Atjeh moest via dit concentratiestelsel op de knieën gedwongen worden. Op 20 augustus 1884 werd met de aanleg van de Geconcentreerde Linie begonnen. Zij bestond uit 16 bentengs, met een bezetting van ruim honderd man elk. Ze waren met Kota Radje verbonden door middel van telefoon en bereikbaar via een trambaan. Het gebied werd afgeschermd door een ijzeren hek met wachthuisjes. Gewacht werd op de vrijwillige onderwerping van de Atjehers, die dus niet kwam. Integendeel, het stelsel werd een prachtig mikpunt voor nog meer aanslagen. Het concentratiestelsel was een geweldige vergissing, en het stelsel werd na 12 jaar in 1896 verlaten. Je kunt zeggen, dat de Derde Atjeh-oorlog een defensieve oorlog van stellingen, forten en uitputting was.

Het nieuwe beleid richtte zich op de inschakeling van Atjehse hulptroepen; het was een soort ‘Atjehisering’ van de strijd, en was aanvankelijk vrij succesvol. Het bracht een heftige polarisering in de Atjehse samenleving teweeg. Een van de grote Atjehse leiders, die zijn diensten aan de Nederlanders aanbood, was Umar. Nog in 1893 verleende Gouverneur-Generaal Deijkerhoff hem de eretitel Panglima perang besar (grote oorlogsleider) en voorzag hem van grote voorraden wapens en geld. Drie jaar later in 1896 viel Umar de Nederlandse zaak af. Dankzij de Nederlandse militaire hulp was hij de machtigste leider van Atjeh geworden, en hij wilde voor zichzelf beginnen. Talloze hoofden, die Nederland eerst hadden gesteund, kozen partij voor Umar en liepen over. Het KNIL had er een geducht bewapende tegenstander bij gekregen.

Toch luidde het jaar 1896 een ommekeer in de oorlog in. Een belangrijke factor hierin was dat een speciale militaire eenheid in het leven was geroepen, die in de rest van de oorlog een doorslaggevende rol zou spelen: het ‘Korps Marechaussee te voet’. Deze eenheid was op 20 april 1890 opgericht, op voorstel van Mohammed Arif, een Atjehse hoofddjaksa (officier van justitie) bij de rechtbank in Kota Radja. Mohammed Arif had de toenmalige militaire gouverneur van Atjeh, generaal Van Teijn, en zijn chef-staf, een zekere kapitein J.B. van Heutsz, aangeraden een aantal kleine mobiele detachementen te vormen uit mannen die dapper genoeg waren om bewust de confrontatie met de Atjehers op te zoeken en met hun eigen wapens te bestrijden: de contra-guerrilla als antwoord op de guerrilla. In eerste opzet telde het korps één divisie van twaalf brigades, elk bestaande uit 20 manschappen. In 1897 volgde uitbreiding tot twee, in 1988 tot vijf divisies, samen 1.200 man. De manschappen kenden elkaar goed, er heerste een sterk esprit de corps. Aanvankelijk was het korps een enigszins vreemde mengvorm van politieagenten en commando’s. De helft van de manschappen bestond uit Ambonezen, de andere helft uit Javanen, de leiding bestond uit Inheemse en Afrikaanse onderofficieren en Europese officieren. Het korps, dat onder leiding stond van kapitein G.G.J. Notten, kwam voor het eerst in actie in oktober 1890. Notten zorgde ervoor dat het een echte elitegroep werd, de soldaten werden intensief getraind. Ze waren bewapend met de korte karabijn (in plaats van de onhandige en lange achterladende Beaumont-geweren), de klewang (een korte, naar de punt breed uitlopende sabel) en de rentjong (de Atjehse kris). Ze waren licht gekleed (o.a. met een tropenhoed in plaats van de ongeschikte helm) en waren voorzien van vivres voor slechts drie of vier dagen, ze waren volledig self-supporting. Ze maakten geen of weinig gebruik van kettingberen (dwangarbeiders, vaak ingezet als dragers).


Volgende pagina

Terug naar Indo Varia